Advocatenkantoor Dirk De Keuster

Actualiteit

Raad van State schorst milieuvergunning Tommorowland niet

De Raad van State heeft in het arrest nr. 231.318 van 26 mei 2015 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging verworpen van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 17 november 2014 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 15 mei 2014, houdende het verlenen aan de BVBA ID&T van een milieuvergunning. De Raad van State was van oordeel dat de spoedeisendheid niet was aangetoond. De eiser had enkel geluidshinder aangevoerd. Volgens de Raad was deze echter niet bewezen. De Raad merkte hierbij op dat de verzoeker op meer dan 1100 meter van het podium woont. De Raad voerde ook twee overwegingen over de procedure toe in het arrest. Er kan enkel rekening worden gehouden met de hinder uiteengezet in het verzoekschrift. Er kunnen tijdens de zitting geen bijkomende argumenten worden aangedragen. De Raad verwijst tevens naar het feit dat Voorts luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Lees verder

De structurele onbestuurbaarheid van een gemeente

De decreetgever heeft in artikel 47bis van het Gemeentedecreet in 2012 een procedure ingesteld voor het geval het bestuur van een gemeente op structurele wijze instabiel is geworden Luidens dit artikel 47 bis kan de gemeenteraad, bij volstrekte meerderheid van stemmen, de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente vaststellen. Op grond van de kennisgeving daarvan geeft de Vlaamse regering aan de provinciegouverneur een bemiddelingsopdracht. Als de Vlaamse regering vaststelt dat de bemiddeling van de gouverneur mislukt is en er zich geen oplossing aandient, brengt zij de gemeenteraad daarvan op de hoogte. In dat geval kan de gemeenteraad de procedure starten voor de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen. De gemeenteraad brengt de Vlaamse regering onmiddellijk op de hoogte, waarna de Vlaamse regering de burgemeester ontslaat. De verkiezing en installatie van de nieuwe schepenen, met uitzondering van de schepen van rechtswege, gebeurt op basis van een gezamenlijke akte van voordracht. De raad voor maatschappelijk welzijn kan eveneens overgaan tot de installatie van een nieuwe voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn die tevens schepen van rechtswege is. Nog volgens het artikel kunnen de vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid en de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen in toepassing ervan niet gebeuren in spoedeisende gevallen zoals vermeld in artikel 29 van het gemeentedecreet en evenmin in de periode van twaalf maanden voor de dag van de verkiezingen vóór de volledige vernieuwing van de gemeenteraden. De aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen na vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid kan slechts eenmaal per bestuursperiode gebeuren. De Raad van State legt de lat terecht hoog om een beroep te kunnen doen op deze procedure. De Raad beklemtoont daarbij dat een andere politieke meerderheid niet gelijk staat met de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente. Er is duidelijk meer nodig. In het arrest nr. 229.846 van 16 januari 2015 ten aanzien van de Gemeente Putte stelt de Raad onder meer het volgende: “14. In dit licht lijkt er van een “structurele onbestuurbaarheid” alleen sprake te zijn ingeval het bestuur van de gemeente gedurig, duurzaam onmogelijk blijkt, stokt, op zwaarwichtige punten spaak loopt. Dit moet gestaafd worden aan de hand van voldoende, objectief verifieerbare gegevens die van de concrete realiteit van die “structurele onbestuurbaarheid” doen blijken. Het volstaat op het eerste gezicht niet dat een meerderheid in de gemeenteraad, die een andere bestuurscoalitie genegen is, “de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente” proclameert opdat die structurele onbestuurbaarheid meteen ook in rechte voor onbetwistbaar vaststaand moet worden gehouden.” In het arrest nr. 230.302 van 24 februari 2015 luidt het als volgt: “ Hoe dan ook is tijdens de parlementaire voorbereiding van het artikel 47bis van het gemeentedecreet uitdrukkelijk overwogen dat de onbestuurbaarheidsprocedure “geen motie van wantrouwen zoals in Wallonië” behelst (verslag namens de commissie, Parl.St. Vl.Parl. 2011-2012, nr. 1467/14, 15). Om de onbestuurbaarheidsprocedure rechtmatig te kunnen voeren lijkt er derhalve meer vereist te zijn dan dat de gemeenteraad geen vertrouwen meer heeft in het schepencollege. Voor meer informatie over deze procedure kan worden verwezen naar de bijdrage van L. VENY en B. WARNEZ in het Rechtskundig Weekblad nr. 39 van 30 mei 2015 : “De structurele onbestuurbaarheid van het gemeentebestuur”. Lees verder

Fiscus kan wel degelijk tot rechtsplegingsvergoeding worden veroordeeld

De laatste tijd was er twijfel gerezen over de vraag of de fiscus wel kon veroordeeld worden tot een rechtsplegingvergoeding indien de fiscus de zaak had verloren. De twijfel ontstond omdat het Openbaar Ministerie, krachtens de wet, nooit kan worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding. Deze uitsluiting werd doorgetrokken naar veroordelingen van overheden in andersoortige zaken. Hierop volgde een reeks prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het niet strijdig is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel dat de fiscus in fiscale zaken kan worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding wanneer de fiscus ongelijk krijgt van de rechter (Grondwettelijk Hof nr. 70/2015 van 21 mei 2015). Alles blijft dus bij het oude. Zowel de belastingplichtige als de fiscus kunnen veroordeeld worden tot een rechtsplegingsvergoeding indien zij de zaak verliezen. Lees verder

Grondwettelijk Hof vernietigt bestuurlijke lus bij Raad voor vergunningsbetwistingen

In het arrest arrest nr.74/2014 heeft het Grondwettelijk Hof de bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen zoals bepaald in artikel 4.8.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), vernietigd. Artikel 4.8.4 VCRO voorziet in de mogelijkheid voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot toepassing van de zogenaamde bestuurlijke lus, waarbij in elke stand van het geding bij wijze van tussenuitspraak, de mogelijkheid wordt geboden aan de vergunningverlenende instantie, om binnen een bepaalde termijn, een onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen. Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat dit beginsel van de bestuurlijke lus afbreuk doet aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze administratieve rechter. Dit standpunt van het Grondwettelijk Hof is terecht. Een eventueel administratief herstel komt toe aan het bestuur en niet aan de administratieve rechter. Het bestuur kan na een vernietiging eventueel een nieuwe beslissing nemen waarbij een gebrek wordt hersteld. Bij een efficiënte en diligente administratieve rechtspraak is geen bestuurlijke lus noodzakelijk. De bestuurlijke lus werd recent ook voorzien bij de Raad van State. De vraag is of deze mogelijkheid stand zal houden in het licht van het bovenvermeld arrest. Lees verder

Grondwettelijk Hof torpedeert Grond- en Pandendecreet

Inleiding In de arresten nrs. 144/2013 en 145/2013 van 7 november 2013 heeft het Grondwettelijk Hof wezenlijke onderdelen van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid vernietigd. De vernietiging betreft enerzijds het luik “wonen in eigen streek” (dat boek 5 van het decreet uitmaakt) en anderzijds de bepalingen betreffende de sociale lasten die worden opgelegd om een sociaal woonaanbod te verwezenlijken (hoofdstuk 3 van titel 1 van boek 4 “Maatregelen betreffende betaalbaar wonen”). Dit arrest volgt op een arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2013 (in de samengevoegde zaken C-197/11 en C-203/11) waarbij het Hof van Justitie heeft geantwoord op een aantal prejudiciële vragen die gesteld waren door het Grondwettelijk Hof. Wonen in eigen streek Het Grondwettelijk Hof vernietigde het boek 5 van het Grond- en pandendecreet welke het recht op “wonen in eigen streek” regelt. Het decreet kwam er omdat door de hoge vastgoedprijzen in bepaalde Vlaamse gemeenten (in totaal 69 opgelijste gemeenten) de minder kapitaalkrachtige lokale bevolkingsgroepen (jonge gezinnen, alleenstaanden, sociaal zwakkeren) niet meer in staat waren bouwgrond en de daarop opgerichte woningen te verwerven, waardoor er een sociale verdringing door financieel sterkere bevolkingsgroepen uit andere gemeenten plaatsvindt. Daarom werd een bijzondere voorwaarde opgelegd om tot “overdracht” (waarmee is bedoeld : verkopen, verhuren voor meer dan negen jaar, inbrengen in een vennootschap of er een erfpacht of opstalrecht op verlenen) van bepaalde (hoofdzakelijk in woonuitbreidingsgebied gelegen) gronden en daarop opgerichte gebouwen te kunnen overgaan, namelijk het bestaan van een voldoende band tussen degene die het goed verwerft en de gemeente waarin het gelegen is. Een provinciale beoordelingscommissie zou vooraf oordelen of er een voldoende band met de gemeente is. Het Hof van Justitie heeft in het voormelde arrest van 8 mei 2013 geoordeeld dat de regeling betreffende het “wonen in eigen streek” onder meer afbreuk doet aan verschillende fundamentele vrijheden, namelijk de vrijheid van verkeer en van vestiging, het vrij verrichten van diensten en het vrij verkeer van kapitalen. Volgens het Grondwettelijk Hof zijn, als gevolg van dat arrest van het Hof van Justitie, het eerste en het tweede middel gegrond in zoverre daarin wordt aangevoerd dat boek 5 van het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 21, 45, 49, 56 en 63 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, alsook met de artikelen 22 en 24 van de richtlijn 2004/38/EG, schendt. Boek 5 van het bestreden decreet diende daarom in zijn geheel te worden vernietigd. Sociale lasten Het Grondwettelijk Hof onderzocht verder de mogelijk discriminerende aard van een aantal fiscale stimulansen en subsidiemechanismen. Sommige daarvan waren uitdrukkelijk bedoeld als compensatie voor de sociale last die aan diverse categorieën van personen (bouwheren en verkavelaars) is opgelegd, namelijk de verplichting om bij hun project ook een sociaal woonaanbod te verwezenlijken dat overeenstemt met het opgelegde percentage voor het verkavelings- of bouwproject. Mede op basis van de uitspraak van het Hof van Justitie van 8 mei 2013 komt het Grondwettelijk Hof tot het besluit dat de eerste vier maatregelen die beogen de sociale last te compenseren (die in artikel 4.1.20, 4.1.21 en 4.1.23), staatssteun uitmaken in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en niet waren vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108 van hetzelfde Verdrag. De vernietiging van deze steunmaatregelen leidt er volgens het Grondwettelijk Hof toe dat de private actoren Lees verder
RSS
First2122232426282930Laatste

Oplossingsgericht in:

  • Overheidsopdrachten en PPS
  • Bouw (ruimtelijke ordening, onteigening, aanneming)
  • Voedselveiligheid en medisch recht
  • Strafrecht

Duidelijke en doelgerichte aanpak in een heldere taal.

Advies, onderhandeling, bemiddeling en - indien nodig - procedure.